Legaltools logo

wetten.legaltools.nl

Contact en meer informatie

Uitvoeringswet EG-bewijsverordening (Uw EG-bwv)


§ 1

Algemene bepalingen

Artikel 1 In deze wet wordt verstaan onder:
a. verordening: de verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 174/1);
b. verzoekend gerecht: een verzoekend gerecht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening;
c. aangezocht gerecht: een aangezocht gerecht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening;
d. centraal orgaan: het centrale orgaan, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening;
e. bevoegde autoriteit: de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de verordening.

Artikel 2 1 Als gerechten die bevoegd zijn om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de verordening worden voor Nederland aangewezen de rechtbanken.
2 Het verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten wordt gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de uitvoering van het verzoek moet geschieden. In het geval van een getuigenverhoor of deskundigenonderzoek wordt het verzoek gedaan aan de rechtbank binnen wier gebied de getuigen of deskundigen, of het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven. Indien de uitvoering van het verzoek in verschillende rechtsgebieden dient plaats te vinden, is elk van de rechtbanken van deze rechtsgebieden bevoegd het verzoek in zijn geheel uit te voeren.
3 Het verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten kan worden verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter is aan deze verwijzing gebonden.
4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld.

Artikel 3 1 Als centraal orgaan wordt voor Nederland aangewezen de Raad voor de rechtspraak.
2 Als bevoegde autoriteit wordt voor Nederland aangewezen de rechtbank Den Haag.
3 Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het centrale orgaan zijn taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de verordening, uitvoert.