Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG)


Artikel 20

In rechte optreden tegen inbreuken op verordening inzake doorgifte naar derde land

1 Indien de Autoriteit persoonsgegevens in een onderzoek betreffende de doorgifte van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Unie of naar een internationale organisatie, ingesteld op verzoek van een belanghebbende, gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een door de Europese Commissie ten aanzien van het desbetreffende land of de desbetreffende internationale organisatie genomen adequaatheidsbesluit als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de verordening of een door de Europese Commissie genomen besluit met betrekking tot het vaststellen of goedkeuren van standaardbepalingen als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdelen c en d, van de verordening onvoldoende waarborgen biedt voor een passend niveau van gegevensbescherming, kan de Autoriteit persoonsgegevens bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek indienen om voor recht te verklaren dat het desbetreffende besluit geldig is.
2 Het verzoekschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de dagtekening;
b. de gronden van het verzoek;
c. de namen van de belanghebbende en de partij die voorwerp is van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
3 Bij het verzoekschrift wordt een afschrift overgelegd van het verzoek van de belanghebbende om handhaving van bij of krachtens wet bepaalde regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, waarop het in het tweede lid bedoelde verzoekschrift van de Autoriteit persoonsgegevens betrekking heeft en worden andere op de zaak betrekking hebbende stukken meegezonden.
4 Onverminderd artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de termijn voor het geven van een beschikking op het verzoek om handhaving opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de Autoriteit persoonsgegevens de verzoeker meedeelt dat toepassing is gegeven aan het eerste lid, tot de dag waarop de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak als bedoeld in het zesde lid heeft gedaan.
5 Op de behandeling van het verzoek zijn de titels 8.1 en 8.2 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, de afdelingen 8.2.2a en 8.2.4a en de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74. De in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde partijen worden als partijen in het geding aangemerkt.
6 Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, al dan niet na prejudiciële verwijzing op grond van artikel 267 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot het oordeel komt dat het aan haar voorgelegde besluit van de Europese Commissie geldig is, dan verklaart zij dat voor recht. Komt zij, na prejudiciële verwijzing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot het oordeel dat het aan haar voorgelegde besluit ongeldig is, dan wijst zij het verzoek af.
7 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan besluiten het verzoek aan te houden als er bij het Hof van Justitie van de Europese Unie al een prejudiciële vraag omtrent de geldigheid van het desbetreffende besluit aanhangig is.
8 Tegen het aanhouden van het verzoek door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, staat geen voorziening open.

Wijzigingen

Datum Betreft Bekendmaking Kamerdossier Memorie van toelichting
25-05-2018 nieuwe-regeling Stb 2018 144 (pdf) 34851 MvT (web) MvT (pdf)