Dienstenwet (DW)


Hoofdstuk 6

Administratieve samenwerking

§ 6.3

Veiligheidsmaatregelen jegens dienstverrichters in individuele gevallen

Artikel 45 Deze paragraaf is niet van toepassing:
a. indien de wettelijke voorschriften op grond waarvan de maatregel wordt genomen, vallen onder een communautaire harmonisatiemaatregel op het gebied van de veiligheid van diensten;
b. op opsporingsonderzoeken als bedoeld in artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 46 Voor de toepassing van de artikelen 47 tot en met 49 beschikken de bevoegde instanties over de toezichts- en handhavingsbevoegdheden die hen bij wettelijk voorschrift zijn toegekend, voor zover die bevoegdheden uitsluitend kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van in Nederland gevestigde dienstverrichters.

Artikel 47 Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, kan uitsluitend in buitengewone omstandigheden ten behoeve van de veiligheid van dienstverrichtingen maatregelen treffen jegens een dienstverrichter die is gevestigd in een andere lidstaat en die diensten verricht in het gebied waarop deze wet van toepassing is.

Artikel 48 1 Voordat een bevoegde instantie een maatregel treft als bedoeld in artikel 47, verzoekt zij de bevoegde instantie uit de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter jegens hem maatregelen te nemen. Daarbij verstrekt de bevoegde instantie alle relevante informatie over de betrokken dienstverrichter, zijn dienstverrichtingen en de omstandigheden ter zake.
2 De bevoegde instantie stelt de Europese Commissie, de bevoegde instantie uit de lidstaat van vestiging en het in artikel 55 bedoelde contactpunt in kennis van het voornemen tot het treffen van maatregelen, indien:
a. naar haar oordeel de bevoegde instantie uit de lidstaat van vestiging het krachtens het eerste lid gedane verzoek om maatregelen te treffen niet of onvoldoende heeft ingewilligd en
b. zij haar voornemen tot het treffen van een maatregel jegens de dienstverrichter handhaaft.
3 De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor zover het de Europese Commissie en de bevoegde instantie uit de lidstaat van vestiging betreft, via het interne markt informatiesysteem en bevat de volgende informatie:
a. de redenen waarom de door de bevoegde instantie van de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter genomen of voorgenomen maatregelen onvoldoende zijn,
b. de redenen waarom de voorgenomen maatregel de afnemer van de dienst meer bescherming biedt dan de maatregel die de bevoegde instantie van de lidstaat van vestiging zou nemen en
c. een toelichting op de evenredigheid van de voorgenomen maatregel.
4 De bevoegde instantie treft de maatregel niet eerder dan nadat de bij of krachtens de richtlijn daarvoor gestelde termijn is verstreken.
5 De bevoegde instantie geeft terstond uitvoering aan een verzoek van de Europese Commissie om, vanwege de strijdigheid van die maatregel met het Gemeenschapsrecht, de maatregel niet te treffen of de uitvoering ervan te staken.

Artikel 49 1 Indien een bevoegde instantie op grond van artikel 47 een maatregel treft, kan zij in spoedeisende gevallen de toepassing van artikel 48, eerste tot en met vierde lid, achterwege laten. In dat geval stelt zij de Europese Commissie, de bevoegde instantie uit de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter en het in artikel 55 bedoelde contactpunt onverwijld in kennis van de genomen maatregel met opgave van de redenen waarom er sprake is van een spoedeisend karakter.
2 Artikel 48, vijfde lid, is van toepassing.

Artikel 50 1 Een bevoegde instantie die is betrokken bij een of meer eisen of vergunningstelsels als bedoeld in artikel 2, treft op verzoek van een bevoegde instantie uit een andere lidstaat maatregelen jegens een in Nederland gevestigde dienstverrichter indien:
a. het desbetreffende verzoek alle relevante informatie bevat over de betrokken dienstverrichter, zijn dienstverrichtingen en de omstandigheden ter zake;
b. de desbetreffende instantie bevoegd is om aan het verzoek te voldoen;
c. de verzochte maatregelen verband houden met de veiligheid van dienstverrichtingen in een andere lidstaat;
d. zij er voldoende van overtuigd is dat de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten juist zijn.
2 De bevoegde instantie stelt de instantie die het verzoek heeft gedaan en het in artikel 55 bedoelde contactpunt onverwijld in kennis van de genomen of voorgenomen maatregelen dan wel van de redenen waarom zij geen maatregelen treft.
3 Op een kennisgeving aan de bevoegde instantie als bedoeld in het tweede lid is artikel 37, derde lid, van toepassing.