Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen (BJJI)


Hoofdstuk XIVb

Beroep tegen medisch handelen

Artikel 76b Een jeugdige kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, bedoeld in artikel 47. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan jeugdigen zijn betrokken.

Artikel 76c 1 Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de jeugdige een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie om te bemiddelen ter zake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.
2 De indiening van het schriftelijk verzoek kan door tussenkomst van een door de directeur daartoe aangewezen ambtenaar of medewerker geschieden, die bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen. Deze ambtenaar of medewerker draagt in dat geval zorg dat het verzoekschrift van een dagtekening wordt voorzien, welke dag geldt als dag van indiening.
3 De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, voert een of meerdere gesprekken met de betrokkenen en zendt een verslag daarvan naar de Medisch Adviseur.
4 De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.
5 De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
6 De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken nadat hij het verslag, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.
7 De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de jeugdige en de arts. De jeugdige wordt gewezen op de mogelijkheden van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.
8 De Medisch Adviseur zendt een afschrift van de mededeling aan de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt, is verbonden.
9 De ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid, en de Medisch Adviseur zijn bevoegd een klacht die geen medisch handelen betreft, door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing een bericht aan de jeugdige en, indien het de Medisch Adviseur is die doorverwijst, naar de ambtenaar of medewerker, bedoeld in het tweede lid. Indien reeds een verslag als bedoeld in het derde lid is opgesteld, wordt dit naar de commissie van toezicht gezonden.

Artikel 76d 1 Een met redenen omkleed beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Raad benoemde commissie van drie leden of buitengewone leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.
2 Het beroepschrift wordt ingediend uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur. De directeur draagt zorg dat een jeugdige die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.
3 Artikel 66, tweede en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4 Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.

Artikel 76e 1 De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de jeugdige in te zien.
2 De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.
3 De secretaris van de beroepscommissie zendt de inrichtingsarts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.
4 De beroepscommissie stelt de jeugdige en de inrichtingsarts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie, bedoeld in artikel 76d, eerste lid, kunnen worden gemaakt.
5 Artikel 69, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6 Artikel 69, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.
7 Artikel 70, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 76f 1 De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
2 De artikelen 72, tweede, vierde en zevende lid, en 73, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3 De uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep indien sprake is van:
a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in artikel 76b bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de jeugdige, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;
b. enig ander onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.
4 Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de jeugdige geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.